Indicatoren
X3. Bonuspunten toegevoegde waarde

Scholen kunnen positieve of negatieve bonuspunten krijgen als het rendement van de bovenbouw boven of onder het niveau ligt dat men mag verwachten op basis van de aanvangskwaliteit van de leerlingen. De aanvangskwaliteit wordt berekend aan de hand van de gemiddelde basisschooladviezen van de leerlingen (Zie: X3.2), het percentage tussentijds ingestroomde leerlingen (Zie: X3.3), het percentage LWOO leerlingen (alleen voor het VMBO, Zie: X3.4), het percentage leerlingen uit armoede probleem cummulatiegebied (Zie: X3.5) en de sociaal economische samenstelling van de leerlingpopulatie (Zie: X3.6). Als het werkelijke bovenbouwrendement boven het verwachte niveau op basis van de aanvangskwaliteit ligt, heeft de school een positieve toegevoegde waarde. Terwijl het een negatieve toegevoegde waarde heeft als het bovenbouwrendement lager is dan op basis van de basisschooladviezen verwacht kan worden.

Scholen met de 10% meest positieve toegevoegde waarde krijg één bonuspunt; scholen met de 20% meest positieve toegevoegde waarde +0,5 bonuspunt. Scholen met de 10% meest negatieve toegevoegde waarde krijgen één negatief bonuspunt; scholen met de 20% meest negatieve toegevoegde waarde -0,5 bonuspunt.

X3.1 Bovenbouw rendement
Het bovenbouw rendement is een combinatie van het percentage bovenbouwleerlingen dat onvertraagd het diploma haalt, het slagingspercentage voor het eindexamen (X2.3), het gemiddelde cijfer voor de schoolexamens (X3.3) en het gemiddeld cijfer voor het centraal examen (X3.4) (voor meer uitleg hierover klik hier).

X3.2 Gemiddeld advies derdeklas
Aan het eind van de basisschool krijgen alle leerlingen een advies voor welk opleidingsniveau (VMBOb/k/gt, HAVO, VWO) het beste bij hun past. Het gemiddelde basisschooladvies van de leerlingen in de derde klas voortgezet onderwijs, wordt gebruikt om de aanvangskwaliteit van de leerlingen vast te stellen en daarmee de toegevoegde waarde van de school uit te rekenen (Zie: X3. Bonuspunten toegevoegde waarde).

X3.3 Percentage tussentijds ingestroomde leerlingen
Dit percentage is rechtstreeks overgenomen van de inspectie gegevens.

X3.4 Percentage LWOO leerlingen
LWOO betekent Leerwegondersteunend onderwijs. Het zijn vmbo-leerlingen die genoeg capaciteiten hebben om een diploma te halen, maar extra hulp nodig hebben. Dit percentage is rechtstreeks overgenomen van de inspectie gegevens. Deze percentages zijn alleen bekend voor de VMBO-scholen.

X3.5 Percentage leerlingen uit armoede probleem cummulatiegebied
De populaire omschrijving van armoede probleem cumulatie gebied is Vogelaarwijk of Krachtwijk. Dit percentage is rechtstreeks overgenomen van de inspectie gegevens.

X3.6 Sociaal economische samenstelling van de leerlingpopulatie
Per BRIN nummer en per lokatie is op de site van DUO de viercijfigere postcode van alle leerlingen van die locatie beschikbaar. Deze postcode hebben wij gekoppeld aan de best beschikbare indicator voor het sociale milieu van die wijk: de Leefbaarometer. Deze indicaror geeft voor elke viercijferige postcode een score op een groot aantal dimensies. Wij hebben daaruit de ‘bevolkingssamenstelling’-dimensie gekozen (versie 2012), omdat deze zowel opleiding als inkomensgegevens gebruikt. De score van deze dimensie is een optelsom van het aandeel niet-werkende werkzoekenden per postcode; het aantal inkomens tot 2x modaal per postcode; het aandeel minimuminkomens per postcode; het aandeel inkomens meer dan 2x modaal per postcode; het aandeel niet-westerse allochtonen per postcode; aandeel hoogopgeleiden per postcode. Deze dimensie varieert tussen -50 (laagste score) en +50 (hoogste score). De gemiddelde score van alle leerlingen van de school (dus niet alleen de eindexamen kandidaten) op deze indicator is sociaal economische samenstelling van de leerling populatie.

X3.7 Gemiddeld SE cijfer
Per vak het gemiddelde cijfer dat alle kandidaten op de schoolexamens hebben behaald gedurende de hele bovenbouw.

X3.8 Gemiddeld CE cijfer
Per vak het gemiddelde cijfer dat alle kandidaten op het centraal eindexamen hebben behaald.
X4. Bonuspunten SE cijfers

Scholen met veel vakken met een te groot SE-CE verschil (Zie: X4.1 Aantal vakken met een te hoge SE cijfers) krijgen negatieve bonuspunten. Een SE-CE verschil is volgens de Onderwijsinspectie te groot als dit groter is dan 0,5.

De 10% scholen met de meeste vakken met een te groot SE-CE verschil krijgen één negatief bonuspunt, de 20% scholen met de meeste vakken krijgen een half negatief bonuspunt. Scholen met weinig vakken met een groot SE-CE verschil krijgen positieve punten: de 10% scholen met de minste vakken +1, de 20% scholen met de minste vakken +0,5.

X4.1 Aantal vakken met te hoge SE cijfers
Per school worden het aantal vakken geteld waarbij het SE-CE verschil groter is dan 0,5. De inspectie heeft als regel dat het verschil in SE-CE cijfers per vak gemiddeld niet groter mag zijn dan 0,5.
Meer informatie?

Zie de Toelichting.
home   nl/ en
2013
X2. Cijfer voldoende vakken

Het basis-cijfer van de school is een cijfer gebaseerd op het gemiddeld aantal voldoende (kern)vakken. Een school heeft gemiddeld een voldoende voor een vak als de geslaagde kandidaten voor het centraal schriftelijk gemiddeld een zes-min (5,899) hebben behaald. De regel om op basis van de cijfers per vak een cijfer per school vast te stellen is de zelfde als die voor de eindexamenkandidaten: Bij meer dan 1 kernvak onvoldoende is de school (net als de leerling) gezakt. Bij meer dan 2 niet-kernvakken onvoldoende is de school (net als de leerling) ook gezakt. De precieze cijfer verdeling (van 1-10) wordt bepaald aan de hand van het aantal onvoldoendes voor de (kern)vakken (voor meer uitleg hierover klik hier).

Omdat het gemiddeld eindexamencijfer van de geslaagde kandidaten niet bekend is, is met behulp van het slagingspercentage en het gemiddeld eindexamencijfer van alle kandidaten een schatting van dat gemiddelde gemaakt (voor verdere uitleg hier).

X2.1 Aantal onvoldoende vakken
Het aantal vakken waarvoor de geslaagde kandidaten voor het centraal eindexamen gemiddeld een onvoldoende hebben gescoord.

X2.2 Aantal onvoldoende kernvakken
Het aantal kernvakken (bestaande uit Nederlands, Engels, Wiskunde voor AVO; Nederlands en Wiskunde voor VMBO) waarvoor de geslaagde kandidaten voor het centraal eindexamen gemiddeld een onvoldoende hebben gescoord.

X2.3 Slaagpercentage eindexamen
Het slaagpercentage van de leerlingen die aan het eindexamen deelnamen. Dit wordt gebruikt om met behulp van de gemiddelde cijfers per vak van alle deelnemers (geslaagde en gezakte leerlingen) een schatting te maken van het gemiddelde cijfer per vak van alleen de geslaagde deelnemers.
X1. Schoolexamencijfer

Het examencijfer voor de school bestaat uit een cijfer gebaseerd op het gemiddeld aantal onvoldoende (kern)vakken op een school (Zie: X2 Cijfer onvoldoende vakken). Dit cijfer wordt respectievelijk opgehoogd of verlaagd na gelang het bovenbouwrendement van een school boven of onder het niveau ligt dat men mag verwachten op basis van de aanvangskwaliteit van de leerlingen (Zie: X3 Bonuspunten toegevoegde waarde) en na gelang een school gemiddeld weinig of veel vakken had met een te groot CE-SE verschil (Zie: X4 Bonuspunten SE cijfers).
Toelichting cijfers

Alle gebruikte cijfers zijn afkomstig van de onderwijsinspectie. Hieronder geven wij in het kort weer welke bewerkingen wij met die inspectiecijfers hebben uitgevoerd.